Over Q.S. Serafijn I

Dirk van Weelden
2012

Fremdkörper

Dit stuk is een fremdkörper.
Het was in de aanvankelijke opzet van dit boek niet voorzien. Er waren hoofdstukken ingeruimd voor alle soorten van Q.S. Serafijn’s werk van de afgelopen jaren en de meest uiteenlopende scribenten werden uitgenodigd dat werk van alle denkbare kanten te bekijken.
Tot op een avond de vrouw van Q.S. hem vroeg, wie er voor dat boek een stuk over hem zou schrijven. Zo iemand was niet uitgenodigd, zei hij. Hij had er geen seconde aan gedacht dat zo’n stuk er moest komen. Dat valt aan te merken als een kenmerkende omissie. Maar hoe logisch deze vergeetachtigheid ook was, Q.S. is geen dogmaticus van zijn eigen logica en dus bedacht hij een klein balkonnetje aan de bouwtekening voor zijn boek: een stuk dat over hem ging, maar dan geschreven vanuit de ervaring van een toeristisch bezoek aan zijn website qsserafijn.nl/>En dat is wat je nu leest. Al even kenmerkend is dat hij daarvoor niet een vriend, een collega-kunstenaar of een hem vertrouwd kunst-scribent vroeg, die zijn werk al jaren schrijvenderwijs volgt. Hij vroeg het een vreemde, die weinig anders kon doen dan over de website dwalen en zich afvragen wie nu degene is die ook met de vraag om dit wonderlijke stuk duidelijk wil maken dat het niet om hem als persoon, ja in zekere zin niet om hem als kunstenaar gaat, maar om de kunst zelf, zelfs als die zich niet afficheert of bekend maakt als kunst.
Een paradoxale opdracht dus. In het Engels heet zoiets een ‘wild goose chase’, oftewel een expeditie die naar alle waarschijnlijkheid futiel zal blijken. Het is een oude uitdrukking die teruggaat op teksten uit de Keltische christelijke traditie. Daarin wordt de Heilige Geest, een soort spiritueel wifi-netwerk die Jezus na zijn terugkeer naar God als communicatie-medium achterliet op aarde, ook wel aangeduid als An Geadh-Glas, wat letterlijk De Wilde Gans betekent. Voor de Kelten het dier bij uitstek dat niet te bejagen of te temmen viel. Er hangt in de geschriften waar deze metafoor gebruikt wordt altijd een zweem van onvoorspelbaarheid en gevaar om het dier heen.
De vraag was eigenlijk: zoek naar wat in het ontwerp van het systeem is weggelaten. Of open gelaten. Waar geen data of beeld van is, maar wel de adem, het leven, de geest van te bespeuren is. Omissie werd het trefwoord van de zoektocht die volgde.
Een van de projecten die Q.S. Serafijn (1996-2004) opzette heette Omission. Samen met een stel anderen presenteerde hij het als ‘ideëel communicatie instituut hedendaagse beeldende kunst’. Met behulp van technieken en strategieën uit de public relations en reclame wilden ze ‘visies, houdingen en ideëen’ die in de marge van het maatschappelijke debat waren terecht gekomen weer aan de orde stellen. Het ging vooral om de beeldende kunst die in zichzelf en zijn instellingen verstrikt en geïsoleerd was geraakt. Beter dan via exposities in galeries en musea of publicaties in kunsttijdschriften kon de her-introductie plaats vinden van de verruimde blik, het vrije, scheppende waarnemen en denken. Op de manier waarop bedrijven, politieke partijen, NGO’s of actiegroepen dat doen.
Een van de affiches die deel uitmaakten van een Omission-campagne, gewijd aan de nieuwe mens, was een grote, frontaal genomen foto van qs serafijn. Onder de foto stond een citaat. ‘Artists will lend a face to the 21st century. The price they have got to pay is loss of face.’ Was getekend: Q.S. Serafijn, super non-individual watcher.
De vondst van dit beeld leverde een nieuwe paradox op. Omission wilde de mogelijkheden die in de beeldende kunst liggen voor het waarnemen en denken her-introduceren in de maatschappij, bevrijden uit het autistische, narcistische vaarwater waar de kunstinstelllingen op dreven. En uitgerekend daar toont qs geen werk, maar zijn gezicht. En niet terloops of als bijkomend detail, maar met de zelfverzekerdheid van een media-persoonlijkheid, van een merk. Persoon als product. Uiteraard is die stijl van communiceren niet zonder dubbele bodem: de slagzin eronder gaat over ‘gezicht geven’ en ‘gezichtsverlies’. Om hun tijd een gezicht te kunnen geven zullen de kunstenaars gezichtsverlies moeten lijden. Om die gedachte kracht bij te zetten presenteert qs de wereld zijn gezicht, kijkt ons aan. Door voor één keer de stijlregels te gehoorzamen die het media-regime oplegt aan allen die succes nastreven met hun boodschap, dienst, product of persoonlijkheid, lijkt hij even buiten de kunst te stappen. Hij neemt een mediagenieke gedaante aan, die voor de passant van het affiche herkenbaar is het klassieke voorstel: in ruil voor je aandacht heb ik je iets te bieden. In dit geval, een geheimzinnige profetie, verspreid door iemand die zich geen kunstenaar noemt, maar super non-individual watcher. En zo lokt hij de gedachten van degene die deze beeldtaal beter verstaat dan die van de hedendaagse kunst naar een open ruimte, naar mogelijkheden en denkwijzen, die buiten het repertoire van het heersende maatschappelijke vertoog vallen. Naar wat kunst ook zou kunnen zijn, als ze bevrijd is van haar navelstaarderige obsessie met een roemrucht verleden, haar keurslijf aan instellingen, de zelfverliefde hitsigheid van haar internationale markt.
Uit de aantekeningen die qs publiceerde is op te maken waaruit het offer bestaat dat hij hier met gezichtsverlies aanduidt. Het opgeven van de cultus van het kunstwerk als volmaakte, afgesloten schepping. En het opgeven van de cultus van het kunstenaarschap als gebaseerd op het unieke, geniale, originele van een individu. De relatie tussen de kunstenaar als persoon en zijn werk omschrijft hij resoluut als die van een observator, die zijn waarnemingen aanbiedt als een stroom voorlopige, onaffe montages van beelden, interventies en teksten.
Dat is wat je in het gezicht op het Omission-affiche ziet: een man die nee-zegt en zich, een beetje bozig en vol overtuiging, maar kwetsbaar overlevert aan de consequenties van zijn weigering. Waartegen zegt hij nee? Tegen het idee dat kunst de expressie van emoties is. Tegen het idee dat kunst samenvalt met visionaire voorstellingen van een nieuwe, betere, of onbedorven wereld. Tegen het idee dat kunst door satire of cultureel activisme de emancipatie of vooruitgang dient. Tegen de kunst als beeldcultuur van de heersende intellectuele mode. Tegen de kunst als markt van luxury goods waar kunstenaars ‘celebrities’ worden met hun eigen mythologie.
Wat blijft er over? Wat neemt de waarnemer waar als hij tot in het uiterste (super) zijn individuele eigenaardigheden en ervaringen weigert te mystificeren, te cultiveren of te vermarkten als openbaring, maar wil koppelen aan wat er in de wereld gebeurt, op zoek naar het mogelijke, het ongeziene, het ongerijmde, de uitzondering op de regel, kortom de paralelle werkelijkheid die van iedereen is en van niemand?
Het antwoord is: het werk van Q.S. Serafijn. Blijft over de vraag die in de opdracht voor dit stuk verborgen lag. Bij wie komt dat werk vandaan? De boeken die hij publiceerde noch de website geven veel aanknopingspunten om een beeld van de persoon Q.S. Serafijn te ontwaren. Soms is er een glimp van de mens van vlees en bloed, die een super non-individual watcher onvermijdelijk is, met zijn gebitsproblemen, eetgewoontes en ergerlijke buren. Maar als je naar de adem zoekt die alle inventiviteit, fictie, polemiek, eruditie en eigenzinnige ideëen verbindt, dan vind je een levenshouding, die aan die van de laconieke, dwarse filosofen uit de oudheid doet denken, aan Diogenes of Pyrrho van Elis, aan de taoïst Wunengzi, de Nietskunner, maar ook aan personages als Sancho Panza, Uncle Toby, Watt, Valentin Bru, Palomar. In dit intellectueel-artistieke immuunsysteem woont een kritisch-melancholieke geest, die weigert zich zijn waarnemingen persoonlijk aan te trekken en ze te tonen zonder ‘ik-effect’. Daarmee is hij veroordeeld tot een leven dat onzeker, eenzaam en in maatschappelijk opzicht precair is. Dit boek zou een eerbetoon moeten zijn aan de overgave en moed die zo’n manier van leven vereist.
COLOFON:
Dirk van Weelden (Zeist 1957) studeerde filosofie en debuteerde in 1987 samen met Martin Bril: 'Arbeidsvitaminen, het ABC van Bril&VanWeelden'. In 1989 debuteerde hij opnieuw, nu solo: 'Tegenwoordigheid van geest.' Daarna verschenen romans, bundels met verhalen en essays, onder andere: 'Mobilhome' (1991), 'Oase' (1994) 'Orville' (1997) 'Van Hier naar Hier' (1999), 'Looptijd' (2003), 'Straatsofa' (2005), 'Het Middel' (2007), 'De wereld van 609' (2008) 'Een maand in Manhattan' (2009). Redacteur van De Gids sinds 1999. Publiceerde over beeldende kunst, film, fotografie, architectuur en literatuur. Woont en werkt in Amsterdam. Vrouw en twee kinderen. Twee katten. Drie gitaren. Eenenvijftig schrijfmachines.

Fremdkörper verscheen in NOTES 3, een publicatie van Q.S. Serafijn uit 2012. Vormgeving: Marc Vleugels. Uitgever: Post Editions.