0501 Lezing

In de gehele westerse wereld werd in de jaren dertig begonnen aan de aanleg van een mondiaal netwerk van snelwegen, die stukje bij beetje naar elkaar toegroeiden. De voortdurende en vanzelfsprekende groei van het aantal snelwegen maakt het nu moeilijk voorstelbaar dat in het begin van onze eeuw nogal getwijfeld werd aan de permanentie van het fenomeen auto. Toch was het al eerder gebeurd dat wegen aangelegd werden en vervolgens in onbruik raakten. Het Napoleontische rijkswegennet was in de tweede helft van de negentiende eeuw door concurrentie van de trein in het slop geraakt. Op veel plaatsen waren de rijkswegen verwaarloosd of versmald, ze werden slechts spaarzaam gebruikt. De introductie van de auto leidde daarom in Nederland niet onmiddellijk tot grote investeringen van de overheid. De belangen van de automobilist werden de eerste decennia vooral door particuliere organisaties zoals de anwb behartigd.
De opbouw van een rijksorganisatie voor verkeersplanning begon aar-zelend. Ondanks vele ambitieuze plannen voor grootschalige rijksweg-verbetering en de instelling van een Rijkswegencommissie in 1915 ontbrak het aan geld om tot concrete actie over te gaan. In 1923 werd binnen Rijkswaterstaat een aparte dienst geformeerd, waarin specifieke kennis over wegenaanleg werd geconcentreerd, het district Wegentechniek. Maar de situatie veranderde pas echt toen in 1926 de Wegen-belastingwet van kracht werd. Vanaf dat moment kon de rijksoverheid daadwerkelijk het hoofd bieden aan de inmiddels onstuitbare groei van het autoverkeer.
(Michelle Provoost, ‘Geboorte van de snelweg’ in Asfalt, Auto-Mobiliteit in de Rotterdamse stedebouw, Uitgeverij 010, Rotterdam 1996, p. 21)