0512 Twilight zone

Hij is eerder getrouwd geweest. Of zij. Dat weet het dorp niet. Er zijn kinderen van hem uit een eerder huwelijk.
Samen delen ze één zoon: Sam. Dat weet iedereen in het dorp omdat het in het lokale dagblad op reguliere wijze is vermeld. 
Hij handelt in kunst, zij werkt als journalist in de Randstad.
In de zomer van 2007 logeert een oom uit Canada bij hen, een broer van haar moeder die enkele weken in hun huis te Delden verblijft.
Vanaf dat moment ‘ziet’ ze het ook. De broer van haar moeder wees haar erop, de verschijning van een meisje, twaalf, misschien dertien jaar oud. Blond, tenger en irritant.
Laatst trok het wicht, toen ze een bad nam, onverwachts het 
douchegordijn open.
Hij die eerder getrouwd was en in kunst handelt, haalt zijn schouders op. Hij woont al vijfentwintig jaar in het oude huis 
en heeft nog nooit de verschijning van een meisje van twaalf 
of dertien, of een andere geestesverschijning, gezien.
Totdat hij vanuit Delden de snelweg opdraait op weg naar Oldenzaal. Ineens zit ze naast hem in zijn Daewoo Stationwagon. Ze zegt niets. Ook hij zwijgt.
‘Wil je mijn borsten zien’, vraagt ze na enige kilometers zwijgen. Het is avond. Ze trekt haar shirt op en toont hem haar romige boezem.
‘Alsjeblieft zeg’, roept hij uit. In de achteruitkijkspiegel ziet hij zijn zoon van zes uit de achterbak van zijn stationwagon zweven. Voordat het lichaam van zijn zoon tegen de voorruit van een achterliggende vrachtwagen te pletter slaat, lost het beeld in het niets op. Hij trapt op de rem en vloekt hardop.
‘Het loopt niet goed met je af als je me negeert’, zegt ze gevoelloos. (In Haarlem, waar hij ooit woonde, had een jongen aan de bar hem verteld dat het slecht met hem zou aflopen. De jongen had op verzoek van een toenmalige vriendin zijn horoscoop getrokken.) Ze trekt haar shirt laag en is weg. Hij slaat uit verbijstering op het stuurwiel.
Even later zit ze opnieuw in zijn auto, op de bank achter hem. Hij observeert haar in de spiegel. Ze heeft haar haren geblondeerd.
‘Wil je mijn borsten zien’, herhaalt ze na enige kilometers opnieuw aanhoudend zwijgen. Ze trekt haar shirt op en toont haar romige boezem. Hij parkeert op de vluchtstrook en draait zich naar haar om.
‘Ik wil je borsten zien’, zegt hij. De borsten zijn blond en fris, 
de tepels roze en boterzacht.
Ze zingt het lied van de Lorelei: ‘Ich weiss nicht was soll es bedeu-ten, dass ich so traurig bin.’ Hij buigt zich voorover. Ze neemt zijn hoofd in haar handen. Hij begraaft zijn neus in haar boezem. Haar oksels ruiken jong en vers en ze zijn naakt, als met een stalen mes ontgrast.
‘Odysseus’, zegt ze.
‘Je had mijn dochter kunnen zijn’, stamelt hij.
‘Ik ben je dochter’, antwoordt zij. ‘Ik ben de Sirene van de a1. Wie weerstand biedt, verliest zijn kinderen.’ Ze spreidt haar benen. Hij neemt haar.
Hij rijdt naar zijn huis in Delden. Daar is alles rustig. Iedereen slaapt.
De oom uit Canada vertrekt. Zijn vrouw wordt niet langer door verschijningen lastiggevallen.