0532 Aurum ludens: het spelende goud (onvoltooid)

De aanvallen op de WCT-torens in Manhattan zijn wat betreft concept, uitvoering en originaliteit onovertroffen. Zelden zo’n overtuigende combinatie van beeldende kwaliteit en verregaande maatschappelijke impact gezien. De eenentwintigste eeuw opende met een geniale manifestatie van het kwaad.
Zeven jaar later maakt het Chinese basketbalteam mooie sier met de reus Yao Ming. De oversized sportman met de motoriek van een vorkheftruck meet 226 centimeter en is een fenomeen in China en op de Olympische Spelen.
Gay Pride is een jaarlijks terugkerende, luidruchtige en obscene carnavalsstoet waar nichterige recalcitrantie en tolerantie strijden om de aandacht van de lokale politiek.
Amy Winehouse wordt nauwlettend op haar verslaving gecontroleerd. Iedereen wil dat ze instort, bij voorkeur tijdens een live optreden. Ook Pete Doherty zien we het liefst in een incontinentieluier.
Niets mag hedentendage onopgemerkt of onzichtbaar blijven. Alles moet het daglicht kunnen verdragen. Alles moet groots, vet, veel, luidruchtig, overenthousiast, intens en extreem zijn. (Terwijl ik dit schrijf, kijk ik met een half oog naar de openingsceremonie van de Spelen in China.) De wereld gaat, zoals veertig jaar geleden door Guy Debord werd voorspeld, geheel schuil achter het oppervlak van het spektakel.

De index van deze spectaculaire werkelijkheid vinden we terug op ’s werelds meest belangwekkende dubbelganger: het internet. Op internet worden grijstonen naar de achtergrond gedrongen en ontbreekt het aan diepte. Wat rest is een opsomming van extremiteiten, kitsch, kicks, bloopers, esoterische dwaalwegen, private demagogie en rottige filmpjes van horden amateurs op YouTube.

Hoewel ze ons het tegenovergestelde willen doen geloven plooien de media zich steeds soepeler rond de index die internet opbouwt. Oneliners en slagzinnen vervangen argumentatie. Snelheid en afwisseling compenseren ontwikkeling. Beeldend kunstenaars die het spektakel uit liefde voor detail en nuance de rug toe keren vallen terug in ‘oude ambachten en braderieën’: artotheken, centra voor beeldende kunst, galerieën en enkele private collecties.

Waar twee wegen zijn, is een derde weg. In de Renaissance leidde de combinatie van kapitaal en ondernemen, nieuwe technieken en kunstenaars, naar goud. De Toscaanse publieke ruimte knapte er van op.
De derde weg is onverstoorbaar. Op de derde weg slaan ondernemers en kunstenaars de handen ineen. Op de derde weg zoeken ondernemers naar nieuwe, speculatieve podia waar het kapitaal zich met onbekende waarde laat infecteren. (Avontuurlijke ondernemers beleggen niet in braderiekunst.) Derde weg-kunstenaars kweken hun beeldende expertise op de humuslaag van niet-eigen disciplines en houden zich, overtuigd van eigen gelijk, standvastig op tussen wal en schip. Als de homo ludens, de spelende mens, bestaat, bestaat ook het spelende goud: aurum ludens. Fingerspitzengevoel voor uitdaging en flexibiliteit is het enige wat van ondernemer en kunstenaar wordt verwacht.