0539

Ik was elf jaar toen ik de stotteraar een bloedlip sloeg. Het was op een maandag. Ik mocht hem niet. ’s Avonds, het huis geurde naar vers gestreken was, stond de vader van de stotteraar aan de deur. Of mijn moeder wist dat haar jongen zijn zoon tot bloedens toe had geslagen. Eén tand was ontwricht.
- Een nette man, zei mijn moeder.
- Waarom sloeg je die jongen? Ik haalde mijn schouders op. Ik wist het niet. Ik wist het echt niet. Soms werkte de wereld op je zenuwen. Zoals wanneer het bliksemt en dondert. Daar zit ook niemand op te wachten. Toch gebeurt het verschillende keren per jaar.
- Heb je spijt? vroeg ze. Ze hield haar ogen op de strijkbout gericht. Ik had erg veel spijt. De stotteraar had al zo’n rottig leven. Behalve dat hij stotterde had hij ook een leverkleurige poepvlek aan zijn hals, een waddeneiland van vlees.
- Ga je je excuses aanbieden?
- Aan de vader? vroeg ik.
- Aan de zoon natuurlijk, zei ze.
- Zeker, zei ik.
De volgende dag informeerde ik bij de stotteraar naar zijn tand. Die zat weer vast, zei hij. Idioot dacht ik. Die heeft nooit los gezeten.
- Hoe gaat het met je vader? vroeg ik.
- Ge-goed, zei de stotteraar. Hij is blij dat ik niet naar de tan-tan-tandarts hoef. Ik gaf hem een hand.
- In het vervolg minder stotteren hè, zei ik.