0471 Paulus

Wanneer Théophile zeven wordt schenkt zijn vader hem een Shetland pony. De pony wordt Paulus gedoopt. Théophile woont met zijn vader in de polder nabij Twello. Zijn biologische moeder heeft Théophile niet gekend, zij overleed tijdens de bevalling. Théophile is door Imre, de zus van zijn vader, opgevoed. Imre trok enige maanden na het overlijden van haar schoonzus bij vader in.

Vanaf het moment dat Théophile spreken kon, noemde hij tante Imre moeder. Nooit heeft hij haar mama genoemd zoals zijn vriendjes hun moeder noemen.
Paulus is een vriendelijke pony. Samen met enkele schapen en een handvol eenden graast hij op het land aan de achterzijde van het huis.
Vader heeft voor Paulus een nachtverblijf getimmerd, een stal. Boven de ingang heeft hij op een paneel paulus hoeve geschilderd.
Wanneer Paulus zich eenzaam voelt, staart hij naar de bewegingen op de a1. Zo beweert Théophile.

In de zomer maakt Théophile lange wandelingen met Paulus. Hij bindt een koord om Paulus’ hals, samen stappen ze door de polder. Théophile berijdt Paulus nooit, niet uit principe (kinderen van zeven hebben geen principes) of goedertierenheid, maar uit angst. Théophile zit niet graag op de rug van een paard of een pony.
Regelmatig neemt Théophile Paulus mee naar het talud van de snelweg. Daar duikt de sloot, die langs Paulus Hoeve kabbelt, onder de snelweg door.
‘Als ik hier een grasspriet in het water gooi, komt die in De Andere Wereld aan.’
Moeder heeft Théophile verteld dat de wereld aan de andere zijde van de snelweg De Andere Wereld heet. Moeder heeft liever niet dat Théophile aan het talud van de snelweg vertoeft. Haar broer echter is de baas. Die haalt, wanneer zij klaagt over het gedrag van zijn zoon, zijn schouders op.

‘Wat is er anders in De Andere Wereld?’ vraagt Théophile.
‘Er wonen andere mensen,’ antwoordt tante Imre, ‘die andere talen spreken en anders ruiken.’
‘Waar ruiken ze naar?’ vraagt Théophile.
‘Ze ruiken naar spinazie’, zegt moeder.
‘Kunnen ze fietsen?’
‘Mensen uit De Andere Wereld kunnen niet fietsen’, zegt moeder resoluut.
‘Wonen er in De Andere Wereld ook pony’s?’
‘Er wonen geen pony’s in De Andere Wereld.’

Pony Paulus lijkt niet onder de indruk van Théophile’s bewe-ringen over het leven in De Andere Wereld. Het dier trekt onverstoorbaar gras uit het talud.
‘Luister je?’ vraagt Théophile. ‘In De Andere Wereld worden niet eens pony’s geboren.’ Paulus schraapt zijn hoef over de aarde.

Moeder leert Théophile boten vouwen van krantenpagina’s. Op de vensterbank van zijn slaapkamer prijken tientallen grote en kleine gevouwen boten. Op sommige boten heeft hij théophile geschreven, op andere paulus. Op een zondagochtend neemt hij twee boten van de vensterbank en haalt hij Paulus van stal. Samen begeven ze zich naar het talud van de snelweg. Hij bindt Paulus aan de stam van een boom en plaatst beide boten tegelijkertijd op het water van de sloot. De papieren bootjes draaien een moment doelloos rond maar laten zich, nadat de wind is opgestoken, meevoeren op de stroom.
‘Zo weten de mensen in De Andere Wereld dat jij en ik hier wonen’, zegt Théophile tegen Paulus. ‘Misschien sturen ze ons hun boten terug.’
Er komt geen antwoord van De Andere Wereld, niet die ochtend. Hoeveel boten Théophile ook onder de snelweg door stuurt, 
nooit krijgt hij antwoord.
Enkele maanden later besluit Théophile de overstap te maken. Het is opnieuw zondagochtend en niet druk op de snelweg. 
Hij bindt Paulus aan de boom. Hij klautert over de vangrail en wacht tot hij in de verte geen auto’s ziet naderen. Hij holt naar 
de middenberm. Tussen beide vangrails op de middenberm voelt hij zich even verloren. Hij twijfelt. Automobilisten claxonneren.
Hij steekt opnieuw over. Hij bevindt zich in De Andere Wereld. Hij laat zich van het talud glijden tot aan de duiker. Hier kabbelt het water van zijn sloot De Andere Wereld in. Théophile staat op en kijkt om zich heen. In de weide recht voor hem grazen vijf shetlanders. Op het erf van een boerderij ziet hij een jongetje op een fiets rondjes draaien. Een andere tante Imre hangt de was op.
Hij buigt zich opnieuw naar de duiker en roept in het donkere gat: ‘Paulus, ik ben hier.’ De tunnel weerkaatst zijn stem.
Hij voelt zich verraden. De Andere Wereld is een kopie van de wereld die hij kent. Tante Imre loog.
Nergens in de sloot ontdekt hij iets dat naar zijn papieren vaartuigen verwijst.
‘Paulus,’ roept hij in het zwarte gat, ‘ik kom terug.’ Hij klimt het talud op en trekt zichzelf over de vangrail. De weg is vrij. Hij haast zich niet en wordt door een auto met een Duits kenteken geschept. Zijn hoofd stuitert tegen de motorkap en slaat op het wegdek uiteen.

Na een ingetogen begrafenis verhuist Paulus naar de weide aan de overzijde van de snelweg. Hij wordt opgenomen in een fok-programma en promoveert tot stamhouder van diverse, goed verkochte nakomelingen.