0473 Richard Nietzsche

‘Zie je die bank?’ vraagt hij. Hij wijst naar een houten bank naast een groen geschilderde vuilnisemmer. Uit de emmer gulpt een blauwe vuilniszak.
‘Op dat bankje schreef ik Herwaardering van alle waarden van Friedrich Nietzsche over. Uitgeverij Boom. Originele titel: 
Der Wille zur Macht. Versuch einer Umwertung aller Werte. Achttienvierentachtig, achttienachtentachtig. Ik deed er exact één jaar over. Dat was in 1995.’
‘Schreef je alles met de hand over?’ vraagt ze. Ze laat zich van het zadel glijden.
‘Met de hand’, zegt hij. ‘Zevenhonderdennegenentachtig pagina’s.’
‘Waarom?’ vraagt ze. Hij haalt zijn schouders op.
‘Troost misschien?’ antwoordt hij aarzelend.
Leni heeft Rob leren kennen via een e-date. Ze geilden elkaar op met e-woorden. Hij krijgt pukkels van chocolade. Zij van varkensvlees. Hij was enig kind, zij kwam uit een gezin van zeven meiden. Meer wisten ze niet van elkaar. Als ze hem voor de eerste keer ontmoet, vallen zijn zachte, droge handen op. Lange vingers, een gebruinde huid.

‘Mijn vrouw wilde van de ene op de andere dag bij me weg en betrok een huis aan de overzijde van de snelweg. Richard, onze hond, rende elke ochtend parallel aan de Schipbeek onder de a1 door naar haar toe. In de middag keerde ze terug. Bij mij bracht 
ze de avonden en de nachten door.’
‘Ze?’ vraagt Leni.
‘Richard was een teef met de naam van een reu’, verklaart Rob.
‘Ik wist niet dat je een hond had’, zegt Leni enigszins verbaasd.
‘Toen er werkzaamheden aan het viaduct werden verricht en het pad was geblokkeerd rende Richard de snelweg op. Mijn ex-vrouw belde of de hond bij mij was die ochtend. Ik zei dat Richard zoals elke ochtend bij het openen van de keukendeur de benen had genomen. De hond lag dood op de vluchtstrook.’

Na maanden chatten en een aantal telefoongesprekken nodigt ze hem bij haar thuis in Schiedam uit. Hij heeft een fles champagne en een ananas bij zich. Zij draagt een kobaltblauw katoenen vestje waarin haar borsten goed uitkomen. Aan een vriendin vroeg ze die middag nog of het decolleté niet te opdringerig was.
Hij complimenteert haar met haar huis en uiterlijk.
Hij zoent zacht, bedachtzaam. Ze heeft die ochtend het bed verschoond. Hij keert diezelfde avond terug naar huis.
‘De idealist: een wezen dat redenen heeft om omtrent zichzelf in het duister te blijven, en dat slim genoeg is om ook omtrent deze redenen nog in het duister te blijven’, citeert hij Nietzsche terwijl ze bij het bankje en de vuilnisemmer met hun fietsen aan de hand staan.
‘Zichzelf niet kennen: de slimheid van de idealist.’
‘Wat deed je met de hond?’ vraagt ze.
‘Ik schoof de hond in een komo vuilniszak, die zijn het sterkst, en nam haar mee naar huis. Daar plaatste ik het lichaam in de koelkast. De volgende ochtend bracht ik het lijk naar een prepa-rateur. De preparateur vroeg in welke pose ik Richard wilde hebben.’
‘Nationaal-socialistisch,’ zei ik, ‘de rechterpoot fier omhoog.’ 
Ze fronst haar wenkbrauwen.
‘Richard joeg op elk konijn’, vervolgt hij zacht. ‘Ze ving nooit wat. Ze wilde niets vangen. Ze vond het spel belangrijker dan de buit. “Een doel voor ogen hebben is slavernij.” Dát was Richard ten voeten uit.’
Hij kijkt haar van opzij aan om zijn woorden te taxeren. Ze frunnikt gegeneerd aan het handvat van haar fietsstuur.
‘Maanden later belde ik de preparateur. Of het vorderde. Het bedrijf bleek failliet, de inboedel in beslag genomen. Alles verhandeld. Jammer. Ik had al een tekstbordje bij de slotenmaker laten graveren: “Richard Nietzsche”.’
0474 Retouche Je ziet het steeds minder vaak: hoektanden die vóór de snijtanden in het kaakbeen wortelen. 
De orthodontie heeft dit charmeoffensief gedurende de laatste decennia uit het openbare leven verwijderd. De beugel als 
retouche.
Ze lacht. Ik geef haar een hand. Haar hoektanden staan schuin voor haar snijtanden.
‘Waar is de hond?’ vraag ik. In het vergaderlokaal heb ik een 
hondenmand opgemerkt. De hond echter zie ik niet. Ze wijst naar een hoek in het lokaal. Samen kijken we naar de hond die zich op het linoleum op zijn rug rolt.
‘Ik neem de hond overal mee naar toe’, zegt ze. ‘Ook op de boot. Ik heb een open houten boot. Ik trek mijn hond op de boot een reddingsvest aan.’
Ze heeft een zwarte lijn onder haar ogen getekend. Om haar 
heupen plooit een met witte lijnen afgebiesde, zwarte rok.
Ik weet niet precies wat een open houten boot is maar durf 
het niet te vragen.
‘Vindt een hond het vervelend om een zwemvest te dragen?’ vraag ik.
Ze lacht. Er schuift een waas voor haar ogen.