0480 Biografie

‘Wat zeg je?’ Zijn vrouw staat in 
de tuin en hangt de witte was op. Hij bevindt zich aan de zijkant 
van het huis op weg naar de schuur. Ze staat in de voortuin 
en verstaat hem niet vanwege het geluid van de snelweg. Met haar linkervoet duwt ze de wasmand van zich af en loopt enkele 
meters in zijn richting.
‘Ik ben in de schuur’, herhaalt hij. Zij knikt.
‘Goed’, zegt ze.

Jan Bruusk Van Gaalen wordt in 1997, op een zonnige lentemiddag getroffen door een herseninfarct. Zijn rechtermondhoek trekt naar beneden, zijn rechterarm verslapt. Hij spreekt wartaal.
‘Stel je niet aan’, zegt zijn vrouw als ze de koffiekopjes naar de keuken draagt om met de hand af te wassen. Sommige erfstukken wast ze, ondanks de aanwezigheid van een vaatwasser, met de hand af.
Hij is op de grond gegleden en ze heeft 112 gebeld.

Sindsdien verplaatst hij zich in een elektrisch mobiel. Hij spreekt moeizaam, zijn rechterarm functioneert voor maar tien procent.
‘Als ik overlijd wil ik dat mijn as op de polder aan de overzijde van de weg wordt uitgestrooid’, informeert hij zijn vrouw.
‘Is goed Van Gaalen’, zegt zijn vrouw zonder van haar kruiswoord-puzzel op te kijken.

In 1965, de werkzaamheden aan de nieuwe snelweg nemen een aanvang, leert de twintigjarige Jan Bruusk van Gaalen enkele kavels verderop een meisje kennen: Marike.
Haar borsten zijn rond en groot en hangen als peren in een eenvoudig textielen omhulsel. Hij heeft de vruchten regelmatig in zijn handen gewogen.
Marike, zo leggen Jan’s ouders uit, is gezegend met het syndroom van Down, een geschenk van God. Ze laat zich in haar onbevangen humeur van alles aanleunen. ‘Vrijkont!’ roept ze als ze Jan ziet. Wat van God komt is goed, denkt Van Gaalen junior bij zichzelf. Hij loopt de bogaard in, zij volgt. Het is bloedheet. Hij betast Marike’s borsten, duwt zijn erectie tegen haar aan. Ze giechelt.

Hij zoent, gulpt zijn broek los, trekt haar op de grond en stoot in haar. Marike kucht en bestudeert de wolken als hij zijn zaad in haar afschudt.
Als hij van haar opstaat, weigert ze hem los te laten. Als een zak cement hangt ze om zijn nek. Verdomme. Hij duwt haar ruw 
van zich af, haar nek knakt op een zwerfkei. Haar gelaat verkleurt. Bruusk Van Gaalen schudt haar door elkaar, tiert en vloekt. 
Ze geeft geen kik. Hij scheurt haar jurk los, wikkelt enkele keien in het textiel en bindt de lap als een tas om haar hals. Hij laat 
het levenloze lichaam, eerst het hoofd, de Schipbeek inglijden en keert terug naar huis, niet voordat hij zijn geslacht in de beek heeft gereinigd.

De verdwijning van Marike blijft een raadsel. Haar lichaam 
wordt niet teruggevonden. Ze ligt symbolisch begraven in de boomgaard van haar ouders.

In 1974, Jan Bruusk van Gaalen is negenentwintig, wordt het asfalt van de a1 over de polder uitgesmeerd en vindt Van Gaalen rust: de snelweg snijdt hem schijnbaar voorgoed af van zijn 
verleden.

Van 1975 tot aan het herseninfarct in 1997 hengelen Jan Bruusk Van Gaalen en zijn zoon regelmatig in de putten waaruit het 
zand voor de aanleg van de snelweg werd opgegraven. Zij steken 
de pieren eigenhandig in hun achtertuin. Elke keer wanneer de 
wormen naar de oppervlakte zigzaggen, denkt Bruusk van Gaalen dat het de wormen zijn die zich aan het lichaam van Marike 
hebben volgevreten. Massaal komen ze onder de a1 doorgekropen om hem elk jaar opnieuw te herinneren aan zijn ongeluk. De wormen dragen rugnummers, dat wil zeggen, Jan Bruusk van Gaalen weet dat het niet waar is, toch ziet hij dat de wormen rugnummers dragen. Nummers die corresponderen met de letters van het alfabet. In welke volgorde hij de wormen ook steekt, de nummers 13, 1, 18, 9, 11, 5 vormen steeds het woord m.a.r.i.k.e.
‘Zevenenvijftig’, mompelt hij in zichzelf als hij de rugnummers bij elkaar optelt.
Als Van Gaalen in het jaar 2000 vijfenvijftig wordt, zegt hij tegen zijn zoon: ‘Er resten mij nog twee jaar.’ Zijn zoon die het millenniumgedoe van zijn vader zat is, lacht minzaam.

Jan Bruusk van Gaalen sterft in 2002 op zevenenvijftigjarige leeftijd. Zijn as wordt niet aan de overzijde van de snelweg uitgestrooid.
‘Hij was allang niet goed meer’, beweert zijn vrouw.