0486 Zeug

Hij is dronken en bevindt zich aan de 
bar van een motel aan de snelweg.
‘De dikke zeug heb ik al vijfentwintig jaar niet meer gezien’, 
zegt hij tegen de man die naast hem zit. De man reageert niet. 
Hij prikt de man in zijn rug.
‘De dikke zeug heb ik al vijfentwintig jaren niet meer gezien’, herhaalt hij zijn woorden.
Hij heeft alle brieven, prentbriefkaarten en kattebelletjes van haar bewaard. Langgeleden borg hij alles, chronologisch, in 
kartonnen dozen op. Decennia lang dacht hij niet aan haar. 
Totdat ze zijn voicemail insprak.

In haar brieven, hij herlas inmiddels alles, schrijft ze over zijn piemel, zijn goddelijke piemel. Vaak in de vorm van een gedicht. ‘Op mijn buik het gefriemel, dan – hard – je stotende piemel.’ 
Ze waren jong.
Toen het over was beweerde ze dat ze niet aan haar trekken kwam. Gelul! De brieven bewijzen het tegendeel. Hij was het 
allemaal al lang vergeten. Nu denkt hij aan haar. Ze is altoos in zijn gedachten. Hij kent zijn klassiekers.
‘Mijn leven is een strafkamp’, zegt hij tegen de rug van zijn 
buurman.