0488 Je vous aime

Ze leren elkaar kennen op een congres in Wageningen. Het congres heeft als thema Global warming and changing sexual behaviour of Formicidae (ants) en duurt twee dagen.
Zij is tweeëntwintig en afkomstig uit Kopenhagen. Hij is vijfentwintig en geboren in Pithiviers, Frankrijk.
Hij spreekt Engels zoals Peter Sellars in de Pink Pantherfilms. Zij vindt zijn accent charmant. (Later vindt ze ook zijn ongeschoren kaken charmant. De raspende aanraking ervan windt haar op.)
Hem vallen in eerste instantie haar borsten op. Hij houdt van grote, pontificale borsten. ‘Demi-boules’, noemt hij haar borsten. Ook vallen hem haar kleine handen op (‘papillons à mon tronc’).
Na de eerste voordracht loopt hij in de pauze achter haar langs. Hij stoot haar aan. Zij kijkt om, geërgerd. (In een reflex heeft ze haar arm van haar lichaam weggedraaid, in haar hand balanceert een bekertje koffie.) Hij verontschuldigt zich.
Na de pauze bestudeert hij hoe ze aantekeningen maakt, hoe ze haar buurvrouw influistert en hoe ze semi-verdwaasd zijn richting uitkijkt. Ze glimlacht wanneer hij discreet zijn hand opsteekt.

Haar wijsvinger gloeit van de gemorste koffie. Ze vermoedt dat hij bewust tegen haar opliep. Haar moeder die, vóór ze met haar vader trouwde, tijdens een zomerliefde zwanger raakte van een Fransman uit Bordeaux (de vrucht werd verwijderd), heeft haar dochter opgezadeld met een portie argwaan aangaande mediterrane mannen in het algemeen en mannen uit Frankrijk in het bijzonder.

Ze stoot haar collega naast zich aan en fluistert: ‘Het wuift.’
‘Wie?’ vraagt haar collega.
‘De koffieman.’
‘Plato?’ vraagt haar collega en blaast extra lucht uit.
Ze hebben hem de bijnaam Plato toebedacht omdat hij kaalt. 
En ook vanwege zijn hakende neus.
‘Laat gaan!’ lispelt haar collega die zelf een bleke Engelsman uit Manchester op het oog heeft.
Om de buitenlandse gasten van de conferentie vertrouwd te maken met de Hollandse keuken wordt in de avonduren een stamppot van andijvie en biologische runderworst geserveerd. De organisatie heeft het vegetarisch fundamentalisme van de gemiddelde Wageningse student genegeerd.
Hij vertelt haar na de maaltijd dat de worst very juicy was. In die mate zelfs dat het sap uit de worst op zijn overhemd sproeide. 
Hij slaat zijn colbert open en toont haar de minuscule vetvlekjes. Op de technodreun waarmee de conferentiedag wordt afgesloten, danst zij met haar collega. Hij kijkt toe.

Op de tweede conferentiedag, ze hebben ieder op een andere lezingencyclus ingeschreven, zien ze elkaar niet. Zij gaat die avond vroeg slapen. Hij heeft haar op het afsluitende bal gezocht en vertrekt, enigszins gefrustreerd door haar afwezigheid, naar zijn hotelkamer.

De volgende ochtend treffen ze elkaar bij toeval op het station van Wageningen. Zij oogt fris en hij is katterig. Hij zegt lachend dat hij haar de vorige avond heeft gemist. Uit een van de vakken van zijn tas haalt hij een visitekaartje tevoorschijn. Patrick Lemur, écologist, leest ze.
Omdat ze geen kaartje heeft, schrijft ze haar e-mailadres op een Post-it. Zijn trein dendert het station binnen.
‘A bientôt’, zegt hij.
‘Au revoir’, zegt zij.

Twee dagen later ontvangt ze van hem een e-mail. Ze mist de slissende ‘s’. Hij schrijft dat de inhoud van de conferentie in zijn herinnering volledig schuilgaat achter haar aanwezigheid. Hij vraagt hoe ze heet (ze heeft op het gele Post-it velletje slechts haar e-mailadres genoteerd, niet haar naam, ze was niet van plan een correspondentie te starten of anderzijds intiem te geraken met de Fransman; neuken met vakgenoten lijkt haar sowieso geen optie) en informeert of ze een goede terugreis had. De zon schijnt in Kopenhagen. Ze antwoordt hem dat ze Helga heet. Ze schrijft over de inhoud van de conferentie, met name over de tweede dag die ze als zeer informatief heeft ervaren (ze vermijdt het woord ‘leerzaam’).
Hem noemt ze nergens, behalve in een laatste regel. In haar afsluitende zin schrijft ze dat ze vermoedt dat hij een zondagskind is omdat háár trein tweeëneenhalf uur vertraging had en die van hem nog geen minuut.

Drie maanden later wil hij haar zien. Er golft een ondefinieerbare schrik door haar lichaam. Haar appartement is klein en goedkoop. Ze denkt er niet over hem thuis te ontvangen. Ze moet 
haar haren wassen. Er is geen douche in huis. Ze wast zich elke ochtend, met de washand, aan het aanrecht.
Diep voorovergebogen aan het keukenblok wast ze haar haren. 
Ze antwoordt dat ze hem in Kopenhagen niet kan ontvangen.

Hij antwoordt dat hij niet van plan is naar Kopenhagen af te 
reizen. Hij schrijft over het middelpunt van hun vriendschap. 
Hij heeft de kaart van Europa bestudeerd en in combinatie met Google Earth het geografische midden van hun vriendschap bepaald. Op de lijn Kopenhagen-Pithiviers is het exacte middelpunt van hun vriendschap het Nederlandse dorpje Wilp, vlakbij Twello. ‘Wilp is also close to Wageningen’, schrijft hij. Aan de rand van Wilp heeft hij op de kaart de startbaan van hun liefde omcirkelt. Hij voegt een routebeschrijving en een datum toe. Geen tijdstip, alleen: ‘I will wait for you.’
Ze vloekt. Ze heeft twee maanden huur voorgeschoten aan een medebewoner. Als ze het voorschot int, kan ze de reis maken. Misschien moet ze haar moeder weer eens bezoeken en geld lenen.

Wanneer Helga uit Kopenhagen op het station van Deventer aankomt, huurt ze een fiets. Ze heeft zich gedegen voorbereid op de reis, dit leek haar de meest logische oplossing. Met behulp van de plattegrond en Patrick’s routebeschrijving arriveert ze na enig zoeken op de locatie. Het verkeer raast over de snelweg.
Op een onduidelijke strook asfalt (ooit een weg denkt ze) staan naast een carpoolplek enkele vrachtwagens gestationeerd. Een chauffeur pist tegen een van zijn achterwielen en wuift met zijn vrije hand naar Helga.
Bij het viaduct van de snelweg, naast enkele bergen gemaaid en oud gras, ontdekt ze een camper met een Frans kenteken. Op een stoeltje naast de camper herkent ze Patrick. Hij lijkt alweer kaler geworden. ‘Plato revisted’, denkt ze. Ze schakelt een versnelling terug.

‘Bonjour’, zegt hij. Ze stapt af en duwt met haar rechtervoet de fietsstandaard open. Ze zoenen driemaal.
Hij maakt koffie en praat honderduit. Hij toont haar zijn camper (een jongensdroom, hij schreef er over), de kastjes, het chemisch toilet en de eenvoud van de keuken. Ze is licht bezweet van het fietsen en wordt door een onverwachte, onaangekondigde en verbazingwekkende geilheid overvallen.
Na de lunch (het regent, ze nuttigen de maaltijd in de camper: gamba’s, knoflook en citroen) knoopt ze haar shirt open. Patrick sluit de deur. Snel en handig transformeert hij de eettafel in een bed. Ze kruipt op hem. Ze komt slechts klaar als ze op iemand zit, als ze de jongens berijdt. Ze neemt hem tweemaal.

Hij heeft in Deventer twee joints gekocht.
‘Ik haat mijn moeder’, zegt ze wanneer ze roken en hij naar haar ouders informeert.

‘Viens’, zegt hij terwijl hij zijn broek aantrekt. Hij opent de deur van zijn camper. Hij neemt haar mee naar een strook asfalt aan de andere zijde van het viaduct. Op het asfalt staan strepen geschilderd. Ze haalt haar schouders op. Ze keren terug naar de camper, ze laden de fiets in en hij start de motor. Via een aantal lussen draaien ze de snelweg op. Vanaf de snelweg vraagt hij haar nogmaals naar de locatie te kijken naast het viaduct waar ze zojuist de liefde bedreven. In de witte, langgerekte strepen op het asfalt leest ze: je vous aime.