De Schreeuw

04 november 2010

'Deze man was zo rijk aan innerlijk bezit, aan vergezichten, hij was gevormd door zoveel jaren van lezen, weerleggingen, verdenkingen, innerlijke combinaties, opmerkingen; uit zoveel vertakkingen, dat zijn antwoorden moeilijk te voorzien waren, dat hij zelfs niet wist waar hij zou uitkomen, welk gezichtspunt hem uiteindelijk zou treffen, welk gevoel in hem de overhand zou krijgen, welke krommingen en welke onverwachte vereenvoudigingen zich zouden voordoen, welk verlangen zou ontstaan, welk weerwoord, welke belichtingen! …

Misschien had hij de vreemde toestand bereikt waarin men zijn eigen beslissingen of innerlijk antwoord alleen nog maar als lapmiddel kan beschouwen, wél wetend dat de ontwikkeling van zijn aandacht oneindig zou kunnen zijn en dat de idee een eindpunt te bereiken geen enkele zin meer heeft, in een geest die zichzelf voldoende kent. Hij stond op die trap van innerlijke beschaafdheid waar het bewustzijn geen meningen meer verdraagt zonder ze te doen vergezellen van een stoet aan modaliteiten, en waar het alleen rust als dat rusten is in het besef van zijn wonderbaarlijke verrichtingen, zijn oefeningen, zijn omzettingen en zijn ontelbare toelichtingen.
(… )
Het was als het ware het heiligdom en het bordeel der mogelijkheden.
De gewoonte om te mediteren deed deze geest te midden van - door middel van - zeldzame toestanden leven; in een voortdurende veronderstelling van zuiver ideële experimenten; in het onafgebroken aanwenden van de grens-voorwaarden en de uiterste fasen van de gedachte…
(… )
Deze voorkeur, en soms deze bekwaamheid tot transcedentie, waaronder ik een wezenlijke onsamenhangendheid versta, waarachtiger dan alle voorgestelde vormen van samenhang, met het gevoel datgene te zijn wat onmiddellijk van het ene in het andere overgaat, op de een of andere manier de meest verschillend orden te doorgaan - orden van grootheid… gezichtspunt, oneigenlijke schikkingen… '