Brouwers

24 februari 2011

Op de site van Klaas Koppe tref ik foto’s en filmpjes aan. In zijn filmpjes laat Koppe auteurs aan het woord. In een zo’n filmpje vertelt Jeroen Brouwers over zijn vloekschrift ‘Sisyphus bakens’ en de door hem geweigerde Prijs der Nederlandse Letteren van de Nederlandse Taalunie.
Ik vind het prachtig wat Brouwers schrijft, wat hij zegt vind ik gezeur. Ik ben gefascineerd door zijn korte adem, trillende handen en zijn algehele constitutie zoals die zich gedurende het filmpje manifesteert. Wanneer Brouwers de trap naar zijn studeerkamer neemt en zich na twintig treden in zijn bureaustoel laat vallen, stikt hij bijkans.
Brouwers rookt en was zoals uit zijn ‘Kroniek van een karakter’ blijkt een stevige drinker. Tabak en alcohol hebben diepe voren in zijn lichaam geslepen, het lijf baant zich een weg door de actualiteit.
Aan zijn schrijftafel toont hij zijn manuscripten geschreven op de achterzijde van krantenadvertenties, de binnenzijde van een broodzak of verpakkingen van de slagerij.
‘Dank u en tot ziens, smakelijk eten,’ leest de auteur de opdruk van de slagerij voor.
Brouwers heeft angst voor blank, maagdelijke papier. Aan het begin van het filmpje staat hij voor een venster waarop de tekst noli me tangere pronkt.
Ik houd van de museale geur van beschreven broodzakken, aangetaste lichamen en geesten die om hun vermeende maagdelijkheid te beschermen niet aangeraakt willen worden.
Lichamen die wonen in een zwart gat in de tijd, aan de rand van een niets.
Lichamen die zich met vreugde kastijden en afzonderen om hun oorspronkelijkheid te koesteren.
Paddenstoelen, heilzame en vruchtbare schimmels op het breukvlak van een era.