Bezuinigen: anders denken

21 april 2011

Sinds de nieuwe regering een bezuiniging van 200 miljoen op kunst en cultuur voorstelde is mijn cynisme voor de kunst afgenomen en nam mijn liefde voor de kunst toe. Er welt een ouderwetse solidariteit in mij op. Ik mag niet overdrijven: ik heb bijvoorbeeld niet ‘voor cultuur geschreeuwd’. Mijn karakter laat deze vorm van zelfexpresssie niet toe. Desondanks schiet ik regelmatig vol. Bij het bezoek van een dansvoorstelling. Of bij het zien van een film in de bioscoop of een tentoonstelling in een van onze nationale musea.

‘Natuurlijk moet iedereen bezuinigen,’ is de zin die ik de laatste maanden het vaakst hoorde. Hoezo iedereen? Daklozen, minima en zieken moeten nergens op bezuinigen. En de kunst? Moet de kunst bezuinigen? Volgens vertegenwoordigers werkzaam in de cultuursector moet alles anders, anders dan de afgelopen decennia onder hun verantwoordelijkheid het geval was.

Hoewel het debat de indruk wekt over geld te gaan, gaat het natuurlijk niet over geld. Geld komt altijd wel ergens vandaan. Ik bedoel: het is uw geld, in alle gevallen. Of dat nu via belasting door de staat wordt geïnd of uit uw portemonnee wordt getrommeld door de musicals van Joop van den Ende - die u massaal bezoekt en waarvan de opbrengst door de VandenEnde Foundation terug in de kunstsector wordt gepompt - maakt niet uit. U betaalt.

Wat is kunst ons waard? En wie zijn ‘ons’? ‘Ons’ kan in twee partijen worden opgesplitst: de ontvangers en de gevers. Dat lijkt een heldere tweedeling maar is het niet. Kunstkopers zijn weliswaar ontvangers, de ontvangers van het kunstwerk en kunstenaars zijn gevers, de gevers van het kunstwerk, maar de koper is tegelijkertijd ook gever: hij betaalt voor het kunstwerk. En de kunstenaar is tegelijkertijd ontvanger: hij ontvangt een geldbedrag voor zijn kunstwerk.
Ontvangers zijn gevers en gevers zijn ontvangers. Als wisselstroom pendelt cultuur tussen twee polen.

Er is relatief veel begrijpelijke cultuur en relatief weinig onbegrijpelijke cultuur. Begrijpelijke cultuur wordt populair genoemd. Onbegrijpelijke cultuur wordt elitair genoemd. Begrijpelijke cultuur is verhandelbaar, er zijn veel afnemers en dat drukt de prijs. Onbegrijpelijke cultuur is irrationeel en minder verhandelbaar. Daarom wordt onbegrijpelijke cultuur door de overheid gesubsidiëerd. De nieuwe regering zet in op begrijpelijke cultuur en meer mecenassen, zodat ze minder geld hoeft uit te geven aan cultuur die niet begrijpelijk is. Dat mensen nog nauwelijks aan het denken worden gezet lijkt de huidige regering een electoraal voordeel.

De werkelijkheid is surreëel; het leven deels begrijpelijk, deels onbegrijpelijk. Het leven kost de overheid geld, veel geld: voedselvoorziening, huisvesting, infrastructuur, gezondheidszorg, noem maar op. Toch wordt wat ondoorgrondelijk aan het leven is niet elitair genoemd en nooit hoor je iemand spreken over de ‘populistische, doorgrondelijke aspecten van het leven’. De waarde van het leven wordt door niemand in twijfel getrokken.

Ik vind het leven een linkse hobby, snobbistisch. Ik wil op het leven bezuinigen. Gezondheidszorg? Ouderdom? Tijdverdrijf voor vegetariërs, te laf om vlees te eten. Ik ben voor afschaffing van de huursubsidie. Huursubsidie is elitair. Iedereen moet in dit land zijn eigen broek op houden, onderwijs biedt gelijke kansen voor iedereen.
Een significante reductie van de sociale woningbouw zou het land vele economische voordelen opleveren. Daarnaast bepleit ik volledige afschaffing van de zorgtoeslag, uitgezonderd een maximale tegoedkoming voor vrijwillige euthanasie als een vorm van mantelzorg.

Zo houden we genoeg over voor kunst en cultuur! De kracht van het denken wordt vaak onderschat. Anders denken: het mag niet verloren gaan!