AS

20 oktober 2011

Het is prettig om de werkweek te beginnen met wat je lief is. Op maandag zou ik het liefst een museum bezoeken. In Nederland zijn de musea op maandag gesloten. Jammer. In aanvang dacht Chris Dercon dat ik een vrouw was. Dat zei hij in Rome in 1992. Hij dacht dat Q.S. Serafijn het pseudoniem van Maria Roosen was. In een recente catalogus van Palais de Tokyo zag ik een werk van Sarah Lucas, getiteld: Is Suicide Generic? Het is een werk uit 1996: een verbrande fauteuil, as, peuken, sigarettendoosjes en een valhelm met sigaretten beplakt.
In 1992 nam ik met JCJ Vanderheyden en Saskia Bos, toen nog directeur van Stichting De Appel, deel aan de tentoonstelling Molteplici Culture (Arte Critica) in Rome. Ik sliep in het appartement van een onbekende Italiaanse kunstenaar die een indrukwekkende verzameling kunstwerken had aangelegd. De schilderijen en tekeningen stonden in rijen dik tegen de wand. Na de opening feestten Saskia, JCJ en ik erop los. Thuisgekomen van de laatste avond dronk ik op mijn appartement whisky en rookte ik enkel sigaretten. Daarna ging ik slapen. Ik werd gewekt door de conciërge en enkele bewoners van de flat. De stoel stond in brand. Nu ja, de stoel smeulde nog en was geheel verast. Er hing een rookgordijn in het appartement. Ik keek op mijn horloge: zes uur in de ochtend. Het was een wonder dat de verzameling niet in brand was opgegaan.
Ik sloeg geen acht op de bewoners die in het appartement rondrenden. Ik moest mijn vliegtuig halen. Sorry, zei ik, I have to get my plane. Immediately. Saskia had doorgegeven welke bus ik moest nemen. Ik was precies op tijd om in te checken. Voorzichtig nam ik plaats in de gereserveerde vliegtuigstoel. Mijn linkerbil deed pijn, een brandwond plakte aan mijn onderkleding. Toch ontdekte ik in mijn jeans geen brandgat. Wellicht had ik ontkleed in de stoel gezeten of met slechts een slip aan. Ik noteerde: 'Ik zei haar dat haar ogen mij hetzelfde gevoel gaven als de aanblik van de Alpen gezien vanuit het vliegtuig bij helder weer in de ochtend. Haar lippen rolden zich op. Het vlees, deze mysterieuze voorhang met die miljoenen minuscule openingen die mij, té groot lichaam, niet het zicht wilden verschaffen op datgene wat, naar ik vermoedde, zo nonchalant verborgen werd, draaide zich naar het licht toe. De zon tastte haar ontelbare einders af. Er viel een vogel voor onze voeten. Zij zei: "Het valt niet mee de noodzaak voor kunst in de openbare ruimte te onderkennen." (aantekening 0297.)’ Ik vond het prettig werken met Saskia Bos. Het was maandagochtend toen ik op Schiphol landde en de musea waren gesloten. De stoel van Sarah Lucas deed me hieraan denken.